|
Woud & Mysterie
In een diep en
duister woud
waar reuzeneiken huizen
was ooit een grauw kasteel gebouwd
op grond met duizend kruizen.
Een schuwe graaf had er geleefd
moederziel alleen
of hij de geest gegeven heeft
hardop zeggen durft geeneen
Nog nooit had enig dorpeling
een woudtocht durven maken
Tot op een dag een vreemdeling
op 't woudpad was geraken
Met een knapzak op zijn rug
zijn enige bezit
Als voedsel enkel rats en kuch
toch was hij reuze fit
Starend op een kleine kaart
hoorde hij een gil
en zag dat hij werd aangestaard
door een vrouw met bril
Het vrouwke hief een vinger op
haar ogen spuwden vuur
"Heb jij kolder in je kop?"
ze wees hem op een oude muur
"Deze muur is ooit gebouwd
om nozems vroeg te weren.
Wie verder loopt die wordt niet oud
Ik zou't dus niet proberen".
De reiziger bekeek de muur
een koude ril onsteeg zijn huid
het weer sloeg om naar nat en guur
het water kwam hem tot de kuit
De oude vrouw was plots verdwenen
en weldra verschoof de muur
er vormde zich een poort van stenen
wat lag ginder op de luur?
Onzeker schreed de trekker voort
vreemde blikken in zijn rug
toch moest hij verder door die poort
richting een verlaten brug
Bij elke stap werd het iets kouder
duistre krachten waren daar
drukkend op de man zijn schouder
dit ging mis, t'was zonneklaar
het liep al tegen middernacht
maar van stilte was geen sprake:
er klonk een lange jammerklacht
die elk menshart wel moest raken
De galm kwam uit een waterput
die triest stond naast de brug
door droogval los van enig nut
slechts bewoond door rat en mug
De trekker tuurde naar benee
en juist op dat moment
kreeg hij plots een zetje mee
en landde op z'n krent
|
op de bodem heerste
duister
't was er argwaanwekkend warm
uit een holte klonk gefluister
in zijn hoofd een groot alarm
Een tunnel bleek
het hol te zijn
waar warme lucht de fluister droeg
oude gangen ener mijn
waar menig werker rots besloeg
trieste blikken, holle ogen
oude knieen, groot verdriet
onder zware last gebogen
hakten zij in het graniet
Lang vermiste dorpelingen
bleken hier al jarenlang
onder brute martelingen
aan het werk in deze gang
De komst der trekker gaf een schok
en legde al het bikwerk stil
men zag hem klimmen op een blok
toen gaf hij een enorme gil
daarop sprak hij van arbo-wet
van recht in het geheel
getooid met sjaal en vakbondspet
voer hij hun naar het kasteel
de vakbondsman die klopte aan
en duizend ogen staarden
Het einde hunner slavenbaan
zou hun eindlijk laten aarden
Knarsend opende de poort
een stroom van ijzig koele lucht
zoog alle werkers naar de court
krijsend sloeg één op de vlucht
Op het bordes daar stond de graaf
en sloeg de vluchter gade
tot een van haat vervulde slaaf
hem raakte met diens spade
De oude graaf zeeg stil ineen
dit was het grote teken
waarop het slot als stof verdween
en neersloeg als een deken
De vakbondsman knikte voldaan
zijn doel was reeds bereikt
wat had hij toch een mooie baan
Zijn ziel was reeds verrijkt
De bijltjes erbij neergelegd
voelden zij't gemis
van het leven van een knecht
zonder lucht zo fris
Spontaan ging men in blijde draf
de vakbondsman voorbij
en daalde snel de mijngang af
en voelden zich pas vrij
in mijnschachtlucht vol kolengruis
kwamen zij pas tot hun recht
zij voelden zich er waarlijk thuis
hun leven was nog niet zo slecht
EINDE
|