Een zee van tranen

 

 

 

op een oude vissersboot

voer een oude bonk

met ruige baard en houten poot

die naar diesel stonk

 

Kauwend op zijn pruimtabak

dacht hij aan z'n lief

opgesloten in de bak

schreef ze hem een brief

 

Op volle zee mocht hij hem lezen

slechts in't bijzijn van zijn boot

onbereikbaar moest zij wezen

want haar zonden waren groot

 

De visser las met grote ogen

dat zijn vrouw en beste vriend

hem sinds jaar en dag bedrogen

waaraan had hij dít verdiend?

 

Stil verbeet de man zijn tranen

doch zijn poot hield hij niet stil

gedwongen hinkte hij zo banen

tot hij kramp kreeg in zijn bil

 

Toen werd het besluit genomen

't roer werd ijlings omgegooid

en na vele uren stomen

was hij woester als nog nooit

 

Toen zijn boot was aangemeerd

stond hij briezend op de pier

met een hart door wrok verteerd

in zijn hand het briefpapier

 

Een bitter plan kwam in hem op

hij moest en zou zijn pijn vergelden

al zou hij sterven aan de strop

zulke plannen kreeg hij zelden

 

Allereerst kocht hij een schep

een kleine doch met punt van staal,

bedoeld voor graven en gemep

een kleine tik is snel fataal.

 

Hij wachtte toen tot middernacht

het uur dat wakers dromend zijn

en groef toen snel en onverwacht

een weg naar de cel van't venijn

 

onopgemerkt kwam hij daar boven

badend in het zweet

en u zult het niet geloven

zij lag daar ontkleed

 

Beduusd liet hij zijn schepje vallen

had zij niet een ronde buik?

sterker nog: zij ging bevallen

niet een allerdaags gebruik

 

Ik zal u de details besparen

d'oude bonk ging van zijn stokje

en pas uren na het baren

werd hij wakker in dat hokje

 

 

 

 

 

 

 

 

Naast hem lag de kleine spruit

z'n moeder lang verdwenen

de oude bonk bekeek de guit

en begon te wenen

 

Het leek of hij zich zelf daar zag

in die zeewier groene ogen

diezelfde kin, die rauwe lach

zijn lief had hem wat voorgelogen

 

Een minnaar was er nooit geweest!

zij had geen bij-relatie

slechts eenzaamheid had zij gevreesd

vandaar die consternatie

 

Aan 't eind der tunnel wachtte zij

inmiddels bijgekomen

hij bracht hen toen naar zijn galei

't schip ving aan te stomen

 

Van verre klonk een woest geblaf

de schippers ogen tuurden

De klopjacht kwam snel op hen af

de kwade wakers vuurden

 

De visser trok de trossen los

en spoedde naar zijn rad

maar 't noodlot trof de oude vos

zijn poot bleef steken in een gat

 

Als grote schietschijf stond hij daar

met schipperstrui als enig schild.

Een kogelregen trof hem zwaar

zijn trotse lichaam beefde wild

 

Een kreet van pijn ontsteeg zijn keel

het ging door merg en been

het bloedverlies werd hem te veel

hij zakte door zijn been

 

In de armen van zijn lief

keek hij haar nog één keer aan

de dood sloeg toe als stille dief

ze zag zijn ogen neder slaan

 

haar werd geen tijd gegund voor rouw

want ook op haar werd reeds gevuurd

zij hees de zeilen dus maar gauw

nu voer het scheepje onbestuurd

 

Al ras voer zij op open zee

omringd door slechts het koele blauw

slechts haar kleine zeilde mee

ze voelde zich een vissersvrouw

 

Haar man gaf zij een zeemansgraf

hij zou de zee nu gaan verrijken

Zijn dood ervoer zij als haar straf

nimmer zou zij land bereiken

 

 Twintig jaar zijn reeds verstreken

de vrouw is oud, het kind een man

Eeuwig dolend door haar streken

Lezers, ik smeek u, leert hiervan!

 

EINDE